Open boek

Een blog van Matthijs den Dekker

Wind (een gelijkenis)

Een reactie plaatsen

Het laatste wat ik me herinner is
hoe het groene water zich boven me sloot en
ik achterover neerzonk in de diepte.
Ik moet het bewustzijn hebben verloren,
maar tegelijk de tegenwoordigheid van geest
hebben gehad me vast te klampen aan deze balk.
Hoe heeft zo mis kunnen gaan,
had niemand dan die klip gezien?

Het ging zo goed. De lucht was helder,
de zon op ons gezicht en de wind ons stevig in de rug.
We sneden door de golven en genoten.
We genoten van het uitzicht en het water
dat onder onze boeg door stroomde en bruisend
bij het roer tevoorschijn kwam.
We genoten van de wind die de zeilen deed bollen en
aan onze kleren trok en
ons vaart gaf op de zee die we bedwongen.

We waren vrolijk en lachten, want we wisten: deze dag is een geschenk.

We pikten anderen op, in kleine bootjes,
of drijvend op hun rug, in het kader van
hoe meer zielen hoe meer vreugd.
Het was hard werken, maar we genoten.

Tot iemand riep –ik weet niet meer
of hij al die tijd al bij ons was, of iemand was die we ergens,
waar dan ook, opgepikt hadden– hij riep: we gaan nu
veel te hard, dit gaat niet goed, het loopt uit de hand.
Ik was verbaasd want we voeren met een flinke vaart,
maar het ging lekker en we lachten en genoten.
Het ging ons voor de wind en we hadden de zeilen toch goed vast?
Gingen we te hard? Liep het uit de hand?

Andere gezichten betrokken en we keken elkaar aan.
Ik zag meer spanning op gezichten kruipen.
Ik controleerde nog een keer de zeilen en draaide
mijn gezicht in de richting van de wind.
We moeten kisten maken, riep de man, kisten,
veel kisten, houten kisten. Dan vangen we de wind
en gaat het beter. Dan sturen we de wind en
gaat het weer goed. Dan kiezen wij de richting en
zal de wind ons helpen. Ik wist het niet meer. Gingen we te hard?

Ik vond mezelf terug diep in het ruim,
sjorrend aan de planken van het hout dat
onze hutten scheidde van de andere.
Het was hard werken, maar het was nodig.

Doorzweet timmerden we de kisten van de planken
die we met blote handen uit het ruim getrokken hadden.
Het was niet genoeg, zeiden mensen, zei de man.
Hij zou het toch wel weten, hij sprak of hij wist waar hij het over had.
– was hij nou al die tijd al bij ons, of hadden we hem ergens,
waar dan ook, opgepikt? Het deed er niet toe,
want we moesten door. Er was nog te veel wind
en de kisten waren niet voldoende.

Met een splinter in mijn vinger trok ik aan een plank
van het dek toen de boot schokte en kraakte en
ik de lucht in geslingerd werd.
Met een klap kwam ik in de zee terecht.
Ik zag hoe het groene water zich boven me sloot en
ik achterover neerzonk in de diepte.
Opeens wist ik waar die man vandaan kwam.
Hij was niet al die tijd al bij ons geweest.
We hadden hem ergens, waar dan ook, opgepikt.

Hij dreef in het water, terwijl hij zich vastklampte aan een balk.

Nu drijf ik hier, met deze balk. Ik hou me vast en hoop op redding.
Ik dein langzaam mee op de golven en de wind en
probeer de aandacht te trekken van boten om me heen.
Het is hard werken, maar ik ben nog boven water.

 

Deze gelijkenis is geïnspireerd door een beeld van Ernst Bodamer.

(Fotocredit: Alin Meceanu, via unsplash.com)

Advertenties

Ja, ik wil hierop reageren!

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s